Blog
Langdurig zieke werknemer en opbouw vakantiedagen
Langdurig zieke werknemer en opbouw vakantiedagen

Deze zomer deed de rechtbank Gelderland een uitspraak over de vraag of een werknemer die langdurig ziek is ook ná afloop van de loondoorbetalingsperiode nog vakantiedagen opbouwt.[1] In deze blog bespreken wij de uitspraak en de mogelijke gevolgen voor werkgevers en werknemers.
De zaak in het kort
De werknemer werkte al sinds 1995 bij deze werkgever en viel in 2019 als gevolg van een motorongeluk uit. Aangezien de werkgever onvoldoende aan de re-integratieverplichtingen had voldaan, legde het UWV een loonsanctie op. De loondoorbetalingsplicht stopte uiteindelijk per 1 maart 2024.
Vervolgens ontstond een slapend dienstverband: de werknemer werkte niet meer, kreeg geen loon, maar bleef formeel wel in dienst. De werknemer wilde de arbeidsrelatie beëindigen en stapte naar de rechter. De werknemer eiste naast de wettelijke transitievergoeding (onder meer) uitbetaling van de vakantiedagen tot 1 juli 2025. De werkgever verweerde zich en stelde zich op het standpunt dat uitsluitend de vakantiedagen die tot het einde van de loondoorbetalingsplicht (dus 1 maart 2024) waren opgebouwd moesten worden uitbetaald.
Wat oordeelde de rechtbank?
Volgens de wet bouwt een werknemer alleen vakantiedagen op over perioden waarin hij loon ontvangt. Strikt genomen zou de werknemer dus geen recht meer hebben op vakantiedagen ná 1 maart 2024.
De kantonrechter oordeelde dat dit in strijd is met Europese regelgeving (artikel 7 Arbeidstijdenrichtlijn). Hoewel het de rechter niet is toegestaan om tegen een wetsbepaling in uit te leggen op basis van een richtlijn, oordeelde de kantonrechter dat deze uitspraak ook kon worden gebaseerd op artikel 31 Handvest van de Grondrechten van de EU, waarin ook het recht op vakantie is vastgelegd. Op basis van rechtspraak van het Europese Hof van Justitie kan dat artikel tussen particulieren worden ingeroepen, waarmee een nationale regeling die daarmee in strijd is dan buiten toepassing kan worden gelaten.
Op basis van het standpunt dat in de literatuur wordt verdedigd kwam de kantonrechter tot de conclusie dat de Nederlandse wet op basis van de Europese regelgeving en rechtspraak in een geschil tussen en werkgever en werknemer ook buiten toepassing kan worden gelaten en dat de werknemer dus ook na het einde van de loondoorbetalingsplicht (dus na 1 maart 2024) vakantie-uren opbouwde. Dat leverde een uitbetaling van ruim € 13.000 bruto op.
Kanttekening
De vraag is of de kantonrechter terecht een beroep heeft gedaan op het EU-Handvest. De kantonrechter sluit zich aan bij de lijn die in de literatuur wordt gehanteerd, maar er is (nog) geen sprake van een vaste lijn in de jurisprudentie (bij hogere instanties). In een situatie als deze had de kantonrechter ook prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen stellen, zodat duidelijkheid over dit onderwerp kon worden geschetst.
De uitspraak kan grote gevolgen hebben. Als niet op korte termijn tot beëindiging van het dienstverband wordt overgegaan nadat de loondoorbetalingsplicht is gestopt, blijft de werknemer op basis van deze uitspraak mogelijk dus vakantiedagen opbouwen. Dit kan voor een werknemer een flinke aanvullende vergoeding opleveren, maar voor de werkgever juist een flinke kostenpost.
Tegen de uitspraak van de kantonrechter is, voor zover bekend, nog geen hoger beroep ingesteld. Of het oordeel standhoudt in hoger beroep, is onzeker. Wij houden de jurisprudentie nauwlettend in de gaten en komen met een update zodra er meer bekend is. Tot die tijd is het verstandig voor zowel werkgevers als werknemers om bij dit soort vraagstukken juridisch advies in te winnen.
Heb jij als werkgever of werknemer te maken met langdurige ziekte, beëindiging van een dienstverband en/of discussie over de uitbetaling van vakantiedagen? Neem gerust contact op met ons kantoor. Onze arbeidsrechtadvocaten helpen je verder met helder advies en praktische oplossingen.
[1] Rb. Gelderland 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054.












